Weinig lezers van moderne literatuur zijn zich er van bewust, maar desondanks is het een onwrikbaar gegeven dat een van de meest indrukwekkende en ontroerende toneelstukken binnen het bescheiden potentieel aan dramatisch materiaal dat onze Vaderlandse Literatuur heeft voortgebracht, het socialistische zedendrama 'Op Hoop Van Zegen' is.
Het is weliswaar een volksstuk, dat alleen nog in kleine, obscure theatertjes in achteraf gelegen, sterk verpauperde volkswijken wordt opgevoerd door duidelijk aan lager wal geraakte amateuracteurs, maar dat neemt niet weg dat het een welhaast Shakespeariaanse allure bezit.
In een eenvoudige, en derhalve zeer duidelijke, intrige worden in dit toneelstuk twee personen met sterk uiteenlopende karakters tegenover elkaar plaatst:
De opstandige, doch zeer melancholieke Volksschrijver Geert Reve, die zijn laatste levensjaren in diepe ballingschap moet doorbrengen op een Geheim landgoed in het buitenland, en de uiterst schijnheilige conformistische Volksschrijver Simon Carmiggelt, die is voorbestemd uit te groeien tot een met standbeelden en herdenkingsmonumenten geëerde volksheld - allebei zeer herkenbare persoonlijkheden, waarvan de nuchtere toeschouwer zonder enig voorbehoud zal kunnen opmerken dat zij zo uit het leven gegrepen zijn.
Het hier volgende fragment (u zou het een uitgebreid citaat kunnen noemen) is genomen uit het dertiende bedrijf. 13 snapt u wel? Over noodlot en zo, en geboren zijn voor het ongeluk...
Geert (Reve): Ach meneer, 't leven van 'n schrijver is geen vertelsel. 'n Schrijver heb 't hard. Gisteren bevoorbeeld, ging 'k voorbij de tuin van de burgemeester - ze zatte net an tafel en atte schelvis waar de damp van afsloeg - enne de levertjes leie apart - enne de kinderen zatte met gevouwe hande te bidde.
Toen dacht ik - as 't verkeerd was mag God 't me vergeven - dat 't niegoed was, van de burgemeester niet en van niemand niet. Bij God, meneer, dat dacht ik...
Simon (Carmiggelt): Toe meneer, 't is dwaas om zulke malligheden te bedenken. 't Is je bestaan - en tegen je bestaan mag je niet in opstand komme!
Geert: Maar de levertjes leie daar - en dan de schelvisdamp, ach meneer, en de hele nacht had 'k al legge huile en 'k had, hoe mot 'k 't zegge, 'k had zo'n honger...
Simon: De schrijverij wordt duur betaald... Huil je, meneer?
Geert: Levertjes, ach meneer, ze leie daar, en de kinderen hadde de hande gevouwe, en ik..., ik zit goddomme m'n leve maar op 'n zielige manier te verschrijve op 'n velletje grauwwit papier, en als de wind dan loeit meneer..., ach, weet je meneer, toen ik nog 'n kind was werd er 'n rooie stormbal gehese an de toren, 'n rooie bal, werkelijk vuurrood, en dan liep 'k de straat op en dan dee 'k: 'n bal, 'n bal..., maar nu: nu heb 'k 'n velletje papier meneer, 'n velletje papier...
Simon: Toe meneer, daar mot je niet over praten. Stel je voor daje ook met gevouwen handen levertjes zat te eten? Wat moet er dan terecht komme van de schrijverij?
Nee meneer, de schrijverij is hard, hartstikke hard. Dat mot je gewoon accepteren! Geef 'n schrijver levertjes en d'r is niks meer. Nee, nee, meneer, 't is dwaas om zulke malligheden te denken.
Geen mens wil iets lezen over levertjes en schelvisdamp. Levertjes meneer, da's de dood van de schrijverij, neem dat maar van mij aan. Honger, ziekte, rampspoed en gebrek zijn altijd de belangrijkste ingrediënten geweest van 'n eerlijk schrijversbestaan...
Geert: (hatelijk) Ja, daar kan jij als salonsocialist over meeprate...
Simon: Je mot niet steeds in opstand komme!
Geert: En as ze me straks in 'n kist van afvalhout sjorre, met 'n vodderige zwarte lap om me knokige lijf.., en dan de kuil in, zo van: een, twee, drie, in godsnaam..., wat dan?
Simon: 't Is je bestaan meneer... Je weet 't toch? De schrijverij wordt duur betaald...
U ziet het, beste lezer, op welk een indringende wijze de sociale problemen van ons bestaan hier worden weergegeven.., op een wijze, die in de hedendaagse dramatische kunst eigenlijk niet meer voorkomt.
Ik wil er dan ook voor pleiten dat dit socialistische zedendrama, dat tnet als ons nationale volkslied 'cultuurbezit' is, met steeds grotere regelmaat op de planken van het reguliere toneel wordt uitgevoerd.
Het Nederlandse volk moet de band met het volk terugvinden en het toneelstuk 'Op Hoop Van Zegen' is volkstoneel in de ware zin van het woord, een dramaspel waarin op felle, hartstochtelijke wijze tekeer wordt gegaan tegen de schrijnende misstanden die er heersen in de literair-culturele kringen van ons verburgerlijkte vaderland.
Waarom, zo vraagt de schrijver ons, loopt de brave goegemeente altijd slaafs aan de leiband van schijnheilige regenten en cultuurpausen, die eerlijke anderen op grond van valse argumenten de dood injagen?
En waarom moeten die eerlijke schrijvers eenzaam en verlaten creperen in het buitenland, terwijl voor de leugenachtige schijnheiligen grote mausoleums worden gebouwd?
Dat is de centrale boodschap die dit sociaal-realistische werkstuk de verduisterde wereld van de schouwburgbezoeker in slingert.
Kijk naar de opstandige, in ballingschap levende schrijver Geert Reve, die zo eerlijk is, dat hij zich laat intimideren door de schijnheilige mooiprater Simon Carmiggelt. Als de burgemeester zijn visje maar op tafel krijgt, daar gaat het in de wereld van de salonschijvers om, en de schijnheilige Simon stelt alles in het werk om die onrechtvaardige situatie in stand te houden.
Wanneer Geert protesteert, dan merkt Simon op calvinistisch-lijmerige wijze op: Dat is je bestaan meneer, daar moet je je bij neerleggen, zo hoort het, zo is het altijd geweest en zo moet het altijd blijven.
'Je mot er voor betale', dat is de filosofie van de gegoede linkse burgerij, die tot gestalte komt in de uit het leven gegrepen toneelfiguur Simon Carmiggelt:
'Betale met me leve?', vraagt Geert.
'Zo is 't meneer, betalen met je leven...'
En wat nu zo aangrijpend is, beste lezer, dat is het merkwaardige gegeven dat ondanks de onbarmhartige morele druk die de wereld op hem uitoefent, de arme Geert zich niet bij die harde, meedogenloze burgermanswaarheid neer wil leggen.
In hem knaagt de onvrede. Hij kan maar niet begrijpen waarom ook hij niet eens een keertje een lekkere portie levertjes zou mogen eten.
Als iedereen levertjes lekker vindt, ook de schijnheilige mooipraters die het lijden van de kunstenaar verheerlijken, waarom zou hij dan moeten streven naar 'hogere waarden', die er alleen maar zijn om de vette, bruingebakken levertjes van de anderen een cultureel tintje te verlenen?
Wat zijn dat dan voor waarden, die een wrede, onrechtvaardige wereld in stand houden, waarin de vretende en slempende kleinburgerij altijd de winnaar is?
Wanhoop, eenzaamheid en eeuwige ballingschap..., moeten dat de hoogste waarden van een eerlijke, opstandige kunstenaar zijn?
Maar waarom zou een kunstenaar voor zulke waarden kiezen?
Zou het niet verstandiger zijn om te kiezen voor wat lagere waarden? Gewoon de wereld op zijn kop zetten, zodat ook hij, de naar warmte en gezelligheid verlangende kunstenaar, een porseleinen bordje, volgeladen met heerlijk riekende runderlevertjes, krijgt voorgezet?
Ja, geloof me, beste lezer, het is werkelijk een uiterst interessant en belangrijk stuk, dat aan lager wal geraakte socialistische zedendrama 'Op Hoop Van Zegen'.
Veel, heel veel in ballingschap levende kunstenaars hebben het gezien in de loop van hun leven, en bijna iedereen, dat durf ik met grote stelligheid te beweren, herinnert zich met van droefheid samenkrampend hart die hartverscheurende woorden:
De schrijverij wordt duur betaald...
[1] Geschreven naar aanleiding van een brief van Simon Carmiggelt aan Gerard Reve (27-12-1971), opgenomen in 'Mooi Kado', een boek waarin ook een hoofdstuk is gewijd aan Herman Heyermans: "Ongetwijfeld de grootste geëngageerde Hollandse toneelschrijver".