Heiland der Volledigheid
Volkskrantblog, dinsdag 13 april 2010 door Wim Duzijn


"Gimme head with hair, Long beautiful hair, Shining, gleaming,
Give me down to there hair, Shoulder length or longer,
Here baby, there mama, Everywhere daddy daddy,
Hair, hair, hair, hair, hair, hair, hair..."


Immoralisme is een begrip dat we in Nederland niet kennen. Nederland is het land van 'de morelen', de anti-anarchisten die altijd de moraal van de morele meerderheid verdedigen. Vandaar dat ik mijn vernieuwde Volkskrantblog in deze 'maand van de filosofie' (april 2010: thema VRIJHEID) start met een aantal eigenzinnige beschouwingen over dat immoralisme, dat duistere leefgebied waar alles wat kletsen en veroordelen wil met zo een grote boog omheen loopt.
Dat filosoferen meer is dan aan de eigen ideologie gebonden propagandastukjes produceren realiseren partijgebonden mensen zich zelden. Zij zien filosoferen niet als een vorm van relativeren (je los maken van schijnzekerheden), maar als een poging de onzekerheid van het vrije, individuele bestaan met behulp van filosofisch ogende toverformules te bezweren.

Nergens bijhoren en zelfmoord plegen


1. Inleiding:

Dit is een lange, en mogelijk enigszins moeilijke, verhandeling.
Volgens veel lezers moeten blogjes klein en gemakkelijk zijn, omdat webloggers diepzinnigheid te vermoeiend vinden, maar daar trek ik mij in deze MAAND VAN DE FILOSOFIE waarin het voor buitenbeentjes volmaakt inhoudsloos geworden begrip VRIJHEID centraal staat weinig van aan, juist omdat in dit betoog wordt gewezen op het vreemde - door HARRY MULISCH blootgelegde - mechanisme van 'het ingeschakeld worden', een op 'het ergens bij willen of moeten horen' betrekking hebbend fenomeen waarvan altijd die buitenbeentjes de dupe zijn die niet in staat zijn als fladderende vlinders boven de eeuwige platheid van een oppervlakkig bestaan te zweven...

Centraal in dit blogartikel staat een (vroege) novelle van HARRY MULISCH, een schrijver waarvan je het werk kunt opdelen in twee aan elkaar tegengestelde helften.
10 De eerste (jaren 50) helft is geschreven door een antimoralist die als gevoelige jaren-vijftig-schrijver een vorm van kosmisch eenheidsdenken uit wil dragen,
2) de tweede helft is het product van een valse leugenachtige opportunistische, want aan kleinburgerlijk ideologisch denken gekoppelde, moraal die als enig doel heeft van de schrijver 'een goed voorbeeld' te maken.

kort samengevat
Jaren 50: Mystiek, Holisme, Personalisme, Harmonie
Jaren 60/70: Politiek, Dualisme, Collectivisme, Polarisatie


De novelle 'Heiland der volledigheid' hoort bij de jaren-vijftig-helft.
Het verwijst naar het sociaal-democratische harmoniedenken van Willem Drees, het door vrijzinnige protestanten verdedigde gnosticisme van Quispel, het christelijke pacifisme van Juliana (en Greet Hofmans) en het New Age achtige wereldburgerschap van Wilhelmina ('Eenzaam maar niet alleen').
Spiritualiteit wordt geprofaniseerd, losgemaakt van wereldverzaking en vervreemdende verzuilingstendensen, tegenstellingen moeten worden opgeheven, voor fanatisme kan er in na-oorlogse wereld geen plaats meer zijn.
Prachtige vormen van idealisme dus, die midden jaren 60 kapotgeslagen werden door een opkomende extreem-linkse beweging die zich 'de Rode jeugd' noemt.

Het is die anti-spirituele jeugd die ons 'de linkse jaren 70 generatie geschonken' heeft, de brengers van een door en door onbetrouwbare mentaliteit, die naar alles streeft, behalve naar een filosofie van de volledigheid.

anarcho-liberale verhandelingen

HEILAND DER VOLLEDIGHEID,
een novelle van Harry Mulisch

Wat de verteller van het verhaal, professor Leo Neeve, in deze novelle voorstaat is een religie van het Volledige Leven, waarbij de grenzen tussen lichaam en geest, tussen extatische zinnelijkheid en reflectie zijn opgeheven. Verder pleit hij voor de opheffing van de sociale rollen ten gunste van de ‘gehele mens’:
“Ja, ik was tot Heiland der Volledigheid uitgeroepen! Ik zou mijzelf en de mensen leren dat ze geen filologen zijn, en geen doktoren, en geen machinebankwerkers, maar wat ze werkelijk zijn zou ik ze leren, en hoe het te zijn. Hoe mensen te zijn...”

Daarnaast wenst Neeve de grenzen tussen het profane en het sacrale uit te wissen door een ‘extatisering’ van het dagelijkse leven: “Ik zou een mis willen opdragen.., een plechtige fallische hoogmis, - nee, niet plechtig, profaan!”

Uit: De furie van het systeem, van E.G.H.J Kuipers,
derde hoofdstuk, de novelle 'Tussen sterven en begraven'

Nergens bijhoren & Ingeschakeld worden

Theorie en praktijk ('praxis') waren de sleutelwoorden van de marxistische jaren zestig generatie. De praktijk (de actievoerder) stond boven de theorie (de intellectueel).
De praktijk (marxisten gebruikten steevast het gewichtig klinkende woord 'praxis') vertegenwoordigde een leven van jeugdige vitaliteit en kracht. De theorie moest genoegen nemen met de dood, de uitputting en de eeuwige zwakte.
Harry Mulisch, een schrijver die in de jaren vijftig bij uitstek de vertegenwoordiger was van de theorie - het werk dat hij in de jaren vijftig produceerde is niets anders dan een opeenstapeling van de meest wilde en extreme theorieën - ging zonder enige vorm van protest aan de kant van de marxistische praxis staan.
Vanzelfsprekend, zou je kunnen zeggen...

Geen eenling willen zijn

Waarom dat zo vanzelf spreekt? Omdat de theoreticus Mulisch, net als elk ander doodgewoon menselijk wezen, een hartgrondige hekel heeft aan dood, uitputting en zwakte.
Het leven kan nog zo ingewikkeld in elkaar zitten, je kunt de ander doodgooien met de meest ingewikkelde theorieën en filosofische bedenksels..., wanneer je als enkeling in je dooie eentje voor de poorten van de Hel wordt neergezet, dan word je hoofd plotsklaps volledig leeg, dan vervaagt het onderscheid tussen hoog en laag en dan zweeft er nog maar één enkele gedachte voor je ogen:
“Hier wil ik niet naar toe, niet naar de hel, mijn god, dat niet, ik ben maar een arme ziel, en in de hel kan IK niet leven..., en als er dan toch iemand naar toe moet, dan in godsnaam de ANDER maar...”,
waarmee op een wrang-ironische wijze de filosofische stelling van de existentialist Sartre, dat de ander de hel is, tot werkelijkheid (d.i. praxis) wordt gemaakt.

Failiet van de mystiek

We kunnen rustig stellen dat in de jaren zestig de mysticus, die Harry Mulisch ooit was (of beter gezegd: wilde zijn) failliet ging.
De jaren 50 mysticus stierf en uit zijn as herrees de man van de praxis, de schrijver die voor het marxisme koos en die a-mystieke keuze , die in feite de ontkenning was van al zijn vroegere werk (Harry Mulisch stelde niet voor niets dat de roman dood was...) neerlegde in een boek, dat de veelzeggende titel droeg: Het woord bij de daad, een verslag van de revolutie op Cuba.
Volgens Jaap Joppe: “Geen objectief verslag, maar een getuigenis van een gelovige”.
De theoreticus erkent zijn zwakte en werpt zich neer aan de voeten van de actievoerende sterke man. De daad wordt boven de droom geplaatst, hetgeen betekent dat de verbeelding, die in theorie werd aanbeden, wordt omgezet in starre, lege verbeeldingsloosheid, eenleegte die wordt ingevuld met 'de linkse moraal'..

Haar als teken van mannelijkheid

In de novelle Tussen sterven en begraven stelt de jeugdige schrijver Mulisch deze problematiek aan de orde, wanneer hij de hoofdpersoon van het boek, Kommer Neeve, wiens levensverhaal door zijn als verteller optredende vader wordt beschreven (hoofdpersoon, verteller en schrijver zijn bij Mulisch tot een nauw met elkaar samenhangende drie-eenheid uitgegroeid), zijn haar, “dat voordien abnormaal lang was geweest”, laat millimeteren.
Volgens de verteller (Neeve, of Mulisch, of allebei...) is lang haar een teken van onbewustheid en kracht, terwijl kort haar een teken is van inzicht en krachteloosheid...
Wie de jaren zestig bestudeert zal al snel ontdekken dat het meest progressieve deel van de vernieuwers een bijzonder grote voorliefde aan de dag legde voor het fenomeen “lang haar”.
Lang haar werd (in combinatie met 'de baard') een kenmerk, een symbool, een band die gelijkgezinden met elkaar verbond.
Een van de belangrijkste kunstuitingen van de jaren-zestig was zelfs een film die de anti-burgerlijke titel “Hair” droeg: Long beautiful hair, like Jesus wore it...

De mens is BENDE geworden

Wie de pech had door de Schepper gezegend te zijn met een kuif van dun, uitvallend piekhaar, die viel niet in de prijzen in die tijd. Zo iemand mocht alleen maar een krachteloze, weerloze stakker zijn, iemand die weliswaar in staat was door te dringen tot de wereld van het Goddelijke Inzicht, maar die met dat inzicht niets kon beginnen, omdat de sterke, machtige dragers van het lange haar elk inzicht dat hun machtspositie kon bedreigen op een resolute wijze van de hand wezen.
Medelijden met haarloze buitenbeentjes had men niet. De behaarde groep was een ‘bende’ geworden, een ‘gang’, en het kenmerk van een jeugdbende is dat iedereen die niet aan de groepscode wil of kan voldoen genadeloos wordt buitengesloten.

De mysticus Harry Mulisch, die weliswaar het hoogste inzicht wilde bereiken, maar alleen wanneer dat hoge inzicht hem maatschappelijk en sociaal gewin oplevert, liet zijn haar niet millimeteren in de jaren zestig. Alles wat links was droeg zijn haar tot op de schouders.
Erg dapper was de naar inzicht verlangende dromer niet.
In plaats van de verdwaasde revolutionairen op een nuchtere wijze duidelijk te maken dat Jezus helemaal geen lang haar had, omdat liberale joden zich in die tijd conformeerden aan de gewoonten en gebruiken van de Romeinse heersers, die het haar kort droegen, omdat zij kort haar als een teken van kracht en mannelijkheid zagen, ging hij er op een laffe wijze toe over de romanfiguren die hij in de jaren vijftig geschapen belachelijk te maken.

De criticus E.G.H.J. Kuipers haalt uit het boek De verteller verteld de volgende (door hem als ‘amusant’ omschreven) anekdote:
In het begin van de jaren vijftig onderhield Mulisch contacten met de kunstenaarskring rond de Haarlemse schilder Boot, vooral met Anton Heyboer. Deze had toen gemillimeterd haar en droeg meestal smokings, die hij bij uitdragers kocht en zelf verstelde.
Kommer Neeve uit de novelle Tussen Sterven en begraven is gevormd naar het uiterlijk van Heyboer, maar ook het innerlijk van Heyboer zal wel een rol hebben gespeeld. Mulisch omschrijft dat innerlijk als volgt:
“Niet aan het feit dat hij etste had Heyboer het te danken dat hij was opgenomen, maar omdat hij ver was. Ver of niet zover of helemaal niet ver was men niet op een direct controleerbare manier, het had niets te maken met een of ander kunnen, maar met zijn: met het zich bevinden op wegen naar het onbekende, met een ontwikkeling van de persoonlijkheid naar gebieden waar men niet meer te volgen was. Men hoorde er bij, wanneer men nergens meer bij hoorde...
Men bespeure (merkt Kuipers op) de ironische ondertoon van dit fragment!

Erbij willen horen

De jaren zestig waren de jaren van het erbij willen horen. Alleen wanneer men erbij hoorde telde men mee.
Wie er niet bij hoorde werd weggewerkt (de schrijvers Hermans en Van het Reve wilden helemaal niet meer in Nederland wonen. Ze werden voortdurend geprovoceerd, om er zodoende zorg voor te dragen dat zij werden voorzien van een ‘bitter uiterlijk’.
Begrijpelijk natuurlijk. Want moralistisch links staat voor geluk, en dat betekent dat niet-linkse collega’s ongelukkig (in de zin van bedorven, rot, slecht en immoreel) moeten zijn.
Succes verzekerd natuurlijk. Want wie luistert er graag naar ongelukkige, verdorven mensen of immorele mensen die steeds pech hebben?

De Vreemdeling

Toch ligt volgens mystieke denkers het ware geluk niet bij de meelopers die zich op een kritiekloze wijze aanpassen aan de tijdgeest.
Kernbegrip van de wijsbegeerte die men gnosis noemt (een gnosticus is iemand die wil weten hoe de wereld in elkaar zit) is het begrip vreemdeling.
Iedereen zal begrijpen dat een vreemdeling iemand is die er niet bij hoort. Zodra je er bij hoort ben je geen vreemdeling meer.
Het beeld van het ‘vreemde Leven’, stelt Hans Jonas in 'Het Gnosticisme, de boodschap van de Vreemde God', is het primaire symbool van het gnosticisme:
“De benaming ‘Vreemdeling’ verwijst naar twee zaken in betrekking tot zijn ontvangst hier beneden: de uitbundige verwelkoming door al degenen, die zichzelf hier ook vreemd en verbannen voelen enerzijds, en anderzijds de gechoqueerde verbazing van de machthebbers der kosmos, die helemaal niet begrijpen wat er in hun midden aan de hand is.”

In de jaren zestig toonden de machthebbers zich gechoqueerd, maar desondanks peinsden zij er niet over het geweld dat binnen de universiteit op gang werd gezet op hardhandige wijze de kop in te drukken. Macht plaatste zich tegenover Macht, en Macht weigert Macht te vernietigen.
Macht vernietigt niet. Macht neemt over, ook wanneer dat gepaard gaat met vernietiging van tot dan toe gehuldigde overtuigingen.
Daarom stelt de vernietiging van het nationaal-socialisme door de Verenigde Staten van Amerika ook zo bitter weinig voor.
Men heeft de Macht in feite overgenomen van de Nazi’s. Men heeft de Macht niet vernietigd. Amerika behoort tot de meest gewelddadige landen van de wereld, gewelddadigheid die wordt witgewassen met een vorm van moralisme die de rijke en machtige mens vergoddelijkt.
Amerika heeft nooit voor vrede gekozen. De oorlog wordt gecontinueerd. Alleen op andere niveaus, die de gemiddelde mens niet ziet – niet wil zien ook…

Inzien dat je een gevangen bent

De Vreemdeling is een gevangene van een destructief systeem, dat geen ander verlangen kent dan zichzelf in stand houden.
Hij wil intelligente mensen die gevangen gezet zijn verlossen, maar voordat hij een daad van verlossing kan stellen zal hij eerst zichzelf moeten verlossen.
De Verlosser vervult, stelt Hans Jonas, een actief-passieve dubbelrol. Uiteindelijk verlost de Verlosser zichzelf, dat is te zeggen: een deel van zichzelf (de ziel), dat eens verloren ging en ter wille waarvan het Leven zelf een vreemde moest worden in het land der duisternis. Zo wordt de vreemdeling tenslotte een ‘verloste Verlosser’. Het Leven hielp het Leven. Het Leven vond zichzelf.

Wanneer we op zoek gaan naar de reden waarom de criticus Kuipers het mystieke gegeven van het ‘vreemd-zijn-in-de-wereld’ ironiseert, dat wil zeggen: belachelijk maakt, moeten we de beschrijving van de novelle 'Tussen sterven en begraven' overslaan en ons wenden tot de opmerkingen die het hoofdstuk dat aan deze novelle is gewijd afsluiten. Daarin wordt ons duidelijk gemaakt dat er in het jaar 1970 sprake is van een breuk in het ontwikkelingsproces van de schrijver Mulisch.

De schepper en zijn duivelse engel

Het ontwikkelingsproces van de jonge Mulisch wordt gekenmerkt door het begrip ‘autocreatie’, dat op zichzelf niet zo’n vreemd gegeven is, maar dat in het werk van Mulisch welhaast monsterlijke proporties aanneemt, omdat Mulisch een opschepperig, pompeus karakter bezit, dat niet in staat is hoofd- en bijzaken van elkaar te scheiden.
Autocreatie betekent dat de mystieke schrijver al schrijvende zichzelf wil scheppen.
Maar de exegeet (tekstuitlegger) Kuipers is geen mysticus. Hij plaatst zich niet als gelijke naast de schrijver Mulisch van de jaren vijftig, die heen en weer geslingerd wordt tussen moralisme en immoralisme, maar hij beschouwt zichzelf als een geestverwant van de Mulisch uit de jaren zestig, de man van de daad, de moralist, de man die zijn kracht niet ontleent aan zijn inzicht, maar aan zijn lange haar. En dat betekent dat zijn liefde uitgaat naar 'morele' problemen.
In de novelle Tussen sterven en begraven, beweert hij, wordt het probleem van de onanie aan de orde gesteld.
Ik geloof niet dat die stelling juist is. Mulisch was een neuroticus en bij mensen met een neurotische karakterstructuur schijnt veelvuldig masturberen vaak voor te komen. Die neurotische gedragshouding deelde Mulisch met de schrijver Gerard van het Reve.
Willem Frederik Hermans (de man die zichzelf verschool achter een masker van gewichtigheid) deed waarschijnlijk niet aan onaneren. Die ging als de nood hoog was tijdens een nachtelijke schrijfsessie op de wc zitten en dan vloog het zaad er zo vanzelf uit. Komt niet vaak voor, maar Hermans was dan ook een zeer uniek mens!
Hoe het ook zij, of het onaneren nu een probleem was of niet, belangrijk is dat aan al die individualistische, neurotische en ego-gerichte problemen waar Mulisch mee worstelde in de jaren zestig, onder invloed van de marxistische revolutie die als een golf over intellectueel Nederland spoelde, een eind wordt gemaakt.

De schrijver wordt proleet

“De Verteller uit 1970”, vertelt Kuipers, “is een massieve kritiek van de auteur op zijn werk uit het begin van de jaren vijftig...
"In De Verteller geen spoor meer van het subjectief-objectieve schrijven: de auteur zelf troont als vertellende instantie hoog boven de vertelde gebeurtenissen...”
Met andere woorden: de verteller is een gewone verhaaltjesschrijver geworden, een technisch specialist, die niet meer wezenlijk bij zijn personages betrokken is.
Hij heeft een deel van zichzelf afgesplitst (het onvolwassen, mystiekerige, niet-linkse deel van zichzelf) en hij is niet meer in staat daar een creatieve relatie mee aan te gaan, hetgeen – gezien vanuit het oogpunt van geestelijke groei en ontwikkeling - een daad van uiterste noodzaak is, gezien de wildheid en de chaos van de denkbeelden, die door de schrijver in het verleden werden geuit.

De eeuwige zondeval

Het probleem dat zich hier voordoet is die van de existentiële breuk, die normalerwijs optreedt tijdens de overgang van puber naar volwassene. Religieuze mensen spreken over 'de zondeval', of het verlies van de onschuld.
Schrijvers, echte schrijvers, worden nooit volwassen. Ze groeien, langzaam en geleidelijk, en ze moeten ook het recht krijgen om zichzelf te ontwikkelen.
Harry Mulisch echter werd in het jaar 1970, het jaar van de Grote Revolutie, door een marxistische, ‘anti-puberale’ beweging, gedwongen volwassen te worden. Hij koos niet voor de geestelijke groei, nee, hij liet zijn haar lang groeien, en daarmee werd hij groot en sterk..., samen met al die andere sterke oude mannen, die domweg hun puberteit oversloegen, omdat puberproblemen de zaak van de revolutie alleen maar in de weg staan.
Kommer Neeve, de hoofdpersoon van de novelle 'Tussen sterven en begraven', komt niet zo ver. Nadat hij de ouderlijke woning heeft verlaten zinkt hij steeds dieper weg in het moeras van een puberaal-geestelijke onderwereld.
“Hij gaat te gronde aan apocalyptische angstvisioenen en onophoudelijk masturberen. Door middel van geheimzinnige briefkaarten stelt de zoon de vader op de hoogte van zijn psychische toestand. Op de laatste dag van zijn leven (in juni van het jaar 1950) keert Kommer terug naar de ouderlijke woning en pleegt onanerend zelfmoord.”

Ingeschakeld worden

Als belangrijkste reden voor zijn zelfmoord noemt Kommer de angstwekkende ervaring van het “ingeschakeld zijn”:
"Men kan een heel leven leven zonder ooit ingeschakeld te worden. Maar een enkeling, een uitverkorene, voelt plotseling op een nacht, bij volle maan, dat het huis zacht begint te schudden, de kamer, zijn lichaam in bed, alsof een met ijzer volgeladen autobus passeert: iets zwarts en dodelijks begint zijn hersens op te vullen en stervend van angst zit hij recht overeind in zijn bed...
Van dat ogenblik af treden er wetten in werking die niemand kent, en hij is ingeschakeld. Hij is ergens in opgenomen, waaruit geen ontsnappen mogelijk is..

Zondebok moeten zijn

Het begrip “ingeschakeld zijn” staat in nauwe samenhang met het begrip “nergens bijhoren”.
Wie nergens bij hoort loopt het gevaar “ingeschakeld” te worden. De mens die alleen staat wordt al snel de zondebok.
Je kunt stellen dat niet-Zionistische joden in de periode 1938 tot 1945 door de Nationaal-Socialisten werden “ingeschakeld”. Ze werden opgenomen in een wereld waar de angst heer en meester is, een wereld die alleen maar bevochten kan worden met behulp van een gruwelijk isolement.
Je bent verplicht jezelf af te zonderen, maar dat isolement is geen bevrijdend isolement dat naar vrijheid en verlichting voert. Integendeel, dat isolement leidt naar vernedering en het besef dat je volledig afhankelijk bent van anderen, die jou, ook al zijn ze te stom om voor de duvel te dansen, kunnen maken en breken.

Geen Mens meer mogen zijn

Dat inzicht bezitten: het besef intelligent te zijn, het besef iets te kunnen presteren, het besef dat waarlijk mens-zijn een situatie van vrijheid veronderstelt…, en desondanks jezelf stuklopen op een wereld die dat weten belachelijk maakt en je op een wrede, cynische wijze af probeert te schilderen als een gevaarlijke, destructieve gek, is kenmerkend voor de toestand van ‘vreemd-zijn’, waaruit de gevangen gezette Verlosser zichzelf moet proberen te bevrijden.
Hij is onschuldig, maar voortdurend ontdekt hij dat de anderen om hem heen zijn onschuldige verlangens in een kwaad daglicht proberen te plaatsen.
Wil je sex, dan is sex slecht, wil je geen sex, dan is sexloosheid slecht. Wil je liefde, dan is liefdeloosheid de norm. Wil je neuken, dan moet je masturberen, wil je masturberen, dan moet je neuken. Val je op jonge jongens, dan maken ze een gevaarlijke kinderverkrachter van je. Val je op vrouwen, dan ben je een immorele vrouwenversierder (en ga zo maar door...)

De werkelijkheid wordt op zijn kop gezet

De aangepaste mens, stelt Friedrich Nietzsche, doet niets anders dan de werkelijkheid op zijn kop zetten. Daarom moet een mens die naar vrijheid streeft, alle waarden herwaarderen, ze in het licht van zijn bevrijdend bewustzijn plaatsen.

In een op zijn kop gezette wereld kan de intelligente vreemdeling niets goeds doen! Dat moeten we ons realiseren.
We moeten inzien dat aan een geestloos, aangepast bestaan een zeer intense demoniseringswoede ten grondslag ligt. We schakelen andere mensen in door ze te negeren en buiten te sluiten. We verbannen mensen naar een onderwereld waarin angst en isolement de hoogste waarden zijn. En we weigeren hen los te laten.

Zie ook: Aristocraat tegen de massamens

ORTEGA Y GASSET's: De opstand der horden
Florentijn van Rootselaar, Eindredacteur Filosofie Magazine

Ortega Y Gasset neemt het in de klassieker Opstand der horden op voor de aristocratie. Maar dat is geen pleidooi voor een bovenklasse. Ook onder arbeiders heb je aristocraten, en platvloersheid is veel rijke mensen niet bepaald vreemd. Aristocratie staat voor een nobele geest.

Wim Duzijn, Zwolle, Nederland