OP WEG NAAR ELKAAR
over liberalisme en pluriformiteit

Nooit hebben wij een vuist durven maken.
Altijd hebben wij ons laten koeioneren en bedonderen
door een meute sufferds en klootzakken met een grote bek.
En waarom?
Wim Duzijn, in: 'Revolutie in het Gekkenhuis'
Het leven, dames en heren, is voor de een 'de hemel' en voor de ander
'de hel'.
Binnen onze mooie vreedzame en o zo burgerlijke samenleving bestaan er scherp afgebakende grenzen tussen de hemel van de een en de hel van de ander.
Hoe burgerlijker een samenleving is, des te scherper is de afbakening van het 'eigen' grondgebied.
Wanneer we het politieke gebeuren in ons land vanuit dat gezichtspunt bekijken dan moeten we constateren dat de Partij van de Arbeid en de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (de een socialistisch en de ander liberaal) de meest burgerlijke partijen van ons land zijn, omdat zowel socialisme als liberalisme het universalisme, dat de mens beschouwt als deel van een grote mensenfamilie, ontkennen.
Het universalisme dat, zoals ik in eerdere brieven reeds heb uitgelegd, een werkelijk sociaal denken propageert, een denken dat afstand doet van een primitieve burgermansmoraal, zonder daarbij te vervallen in een onverschillige houding van liberaal 'laissez faire, laissez aller'-denken, herkent zichzelf alleen in die politieke partijen die een partij van 'het Midden' willen zijn.
Alleen binnen een op het 'Midden' gerichte partij kan het universalistisch humanistische triniteitbeginsel zichzelf waarmaken.
Het gaat er binnen het humanistische denken niet om een algemeen geldende moraal uit te dragen, nee, het gaat er binnen dat denken om een zodanige atmosfeer te scheppen dat het sociaal ingestelde mensen mogelijk wordt gemaakt de plaats in te nemen die hen toekomt.
Het humanisme is pessimistisch, in die zin dat het aanvaardt dat niet
iedereen een sociale instelling bezit, maar het is aan de andere kant
ook optimistisch, omdat het er vanuit gaat dat er net zoveel 'goede'
als 'slechte' mensen zijn, dat wil zeggen: tegenover degenen die er
domweg op uit zijn anderen kwaad te berokkenen (en die zijn er - daar
kan de burgerlijke moraal niets aan veranderen) staan er even zovele
anderen die het als hun taak zien andere mensen te helpen, aan te
moedigen of bij te staan.
Sommige mensen hebben een behulpzaam karakter. Hun wil tot 'helpen'
vloeit niet voort uit 'de moraal', nee, zij is louter en alleen het
product van het eigen karakter.
De moraal daarentegen wil van iedereen, ook van de grootste boef een
'goed mens' maken en dat is een praktische onmogelijkheid.
Zowel socialisme als liberalisme hanteren mensbeelden die moralistisch van aard zijn.
De socialist wil de mens door dwang 'goed' maken. De liberaal gaat
er vanuit dat de mens vanzelf wel 'goed' wordt wanneer je hem vrijelijk zijn gang laat gaan.
Dwang staat hier tegenover vrijheid, een socialistische maatschappij
tegenover een kapitalistische maatschappij.
Natuurlijk heeft geen van beiden het gelijk aan zijn zijde, wanneer
je tenminste uit wilt gaan van het universalisme als 'objectieve
norm'.
Socialisme en liberalisme verketteren elkaar en overal waar een blinde, irrationele verkettering plaatsvindt heerst niet het 'goede',
maar het 'kwade'.
Dat wil dus zeggen dat niet alleen het communisme een 'rijk van het
kwaad' is. Nee, het kapitalisme is eveneens een 'rijk van het kwaad'
en voor het kapitalisme geldt daarom in gelijke mate de opdracht die
moralisten in het westen voortdurend de communisten meegeven: dat er
ruimte moet worden gemaakt voor politici met een 'menselijk gezicht'.
Waar er grenzen verdwijnen en er wordt gestreefd naar samenwerking,
daar zal er gezocht moeten worden naar een nieuw Sociaal Denken, een
denken dat helemaal niet los hoeft te staan van de traditie, een
denken dat echter resoluut moet breken met het burgerlijke 'demoniseringsmechanisme', een handelwijze die er op is gericht een kunstmatig goede mens in het leven te roepen, ten koste van anderen.
Binnen een 'rijk van het kwaad' (of het nu socialistisch is of
liberaal) is voortdurend de een de dupe van het handelen van anderen.
De ondernemer wordt rijk, het milieu wordt verpest. De een krijgt
macht en schept voor zichzelf een wereld waarin alles zinvol is, de
ander moet als een zwakke, zielige figuur van zijn leven een zinloze
kruistocht maken, met als enig doel een volmaakt zinloze dood.
De een zijn dood is de ander zijn brood. Meer valt er niet te zeggen
over het burgerlijke 'rijk van het kwaad'.
In de jaren zestig en zeventig wilde radicaal links de wereld veranderen. Ik arriveerde in het jaar 1969 in Amsterdam en ik heb daar kennisgemaakt met 'de revolutie'.
De linkse studenten wilden de verbeelding aan de macht brengen en
vanaf alle universiteitsgebouwen wapperden derhalve de trotse rode vanen, als
een teken van verandering, een teken van trotse, onverwoestbare vrijheidsdrang....
Het is het jaar 1970.
Ik ben Amsterdams ingezetene. Ik ben jong, en ik wil wat. Zo moet je jong zijn omschrijven - zeggen ze.
Ik stap uit de tram en loop naar de Dam, kijk naar 'het monument' (ik haat monumenten), kijk ook naar de jongeren, die me volmaakt vreemd zijn, en ik ga verder, op weg naar het Politicologisch Instituut - waar ik als student sta ingeschreven.
Een smal gebouw dat uitkijkt op een smalle gracht. Voor de deur een smalle trap met een zwartgeschilderde ijzeren leuning, waar ik me aan vast moet houden. Ik geloof tenminste dat zoiets de bedoeling ervan zal zijn. Wie zich niet vasthoudt valt onherroepelijk dood...
Boven de deur hangt een spandoek. Het vertelt me dat het gebouw in
bezit is genomen door een Boze Heks. De naam van die heks is geheim.
Maar ik ben helderziende, dus ik weet haar naam en haar naam is Vrouw Marx. Meer kan ik er niet over vertellen (wat maakt het verder ook uit hoe boze toverkollen heten?).
Ik open de haveloze deur en betreed aarzelend een kleine vestibule,
die via een openstaande deur verbonden is met een lange gang.
Jongens met grote stapels paperassen in de handen passeren me. Ze
zien me niet. Ik geloof dat ik onzichtbaar ben.
Ik heb een afspraak met professor Daudt. Die is de baas van het instituut, maar de marxistische studenten hebben hem afgezet, zodat hij in feite onderbaas is, hetgeen me weinig kan schelen, omdat ik toch onzichtbaar ben.
Een boekenlijst moet samengesteld worden. Ik moet daarvoor de trap op.
Ik voel me klein en zwak. Dat heb ik altijd als ik me begeef in een
vijandig milieu.
Ik wil wel iets presteren maar ik mag niks presteren. Dat is het werk
van Vrouw Marx. Zij behekst de mensen. Zij wil niet dat de mens wat
presteert. Daarom haat ik Vrouw Marx.
O, was ik maar Judie Garland in die prachtige sprookjesfilm 'The
Wizzard of Ozz'...
Dan zou ik die boze heks d'r bezemsteel in brand steken en dan zou
ik een emmer water over haar heen werpen, zodat zij totaal en volledig zou ineenschrompelen tot een wolkje niks.
Wraakzuchtig ben ik wel. Maar wel behoorlijk alleen - en nog onzichtbaar ook!.
Judie Garland bezat donkerrode toverschoentjes, die je maar tegen elkaar hoeft te klikken om huiswaarts - 'home sweet home' - te kunnen keren. Die bezit ik helaas niet.
Ik draag zwarte veterschoenen, die sterk afsteken bij de suedeleren
sluiperschoentjes van de linkse studenten.
Ik heb eigenlijk een erg ouderwets en degelijk karakter en ik haat
slordigheid.
Daarom huivert het in mij, omdat het door linkse studenten bezette Instituut een sfeer van totale en allesomvattende slordigheid uitademt.
Vrouw Marx is een erg slonzige dame. Dat is altijd zo met boze heksen.
Die wonen weliswaar in een groot paleis, maar dat paleis zit altijd vol met
spinnewebben en vieze kruipende beesten en padden en het is er donker
en nooit schijnt er de zon.
Mijn zwarte veterschoenen maken een hevig klossend geluid als ik de
trap bestijg.
Professor Daudt wacht op mij met zijn boekenlijst.
Ook zoiets engs: 'een lijst' (ik haat lijsten).
Professor Daudt zou eigenlijk de Goede Fee moeten zijn, zo eentje van
wie je rode toverschoentjes krijgt, maar ach, ik ben een onnozele
naïeve hals die in een idealistenwereld eigenlijk niet thuishoort en alles wat ik krijg is een papiertje met een reeks titels er op en daar mag ik het mee doen.
Wie gelooft er in een linkse wereld nu in rode toverschoentjes?
Ik ben een vreemde schuwe jongen in de wereld van Vrouw Marx.
Vrouw Marx houdt niet van schuwe verlegen jongens.
Die slaat ze met de bezemsteel haar slordige wereld uit.
Ik kijk zo hier en daar wat rond.
Daudt zit alleen in zijn werkkamer. De studenten verzamelen zich rond
de dwerg Lucas van der Land.
Lucas van der Land is lector en ik mag hem niet.
Dat komt omdat Lucas van der Land een collaborateur is (ik haat collaborateurs).
Die studie hier, zo weet ik, die wordt volledig niks.
Ik hoor hier niet thuis. Alles ademt een sfeer uit die mijn werkelijkheid ontkent.
Ik houd van ouderwetse degelijke en betrouwbare professoren die een stemmig grijs pak dragen en een bril met een gouden montuur. Ze mogen best een beetje vaderlijk zijn, dat stelt me op mijn gemak, waardoor de gevoelens van schuwheid en verlegenheid verdwijnen.
De linkse studenten weten niet wat dat is, 'iemand op zijn gemak stellen'. Op het woord 'vaderlijk' schijten ze, want ze zijn 'anti-autoritair', en wat het woord 'verlegen' betekent snappen ze niet. Ze schreeuwen zich op een ruwe, wilde wijze omhoog naar de top.
Ze haten de woorden sfeer, gezelligheid, vertrouwelijkheid, huiselijkheid en romantiek.
Ze filosoferen niet met de hamer, zoals de intellectueel Nietzsche dat wilde, nee, ze filosoferen met de botte bijl. Vrouw Marx haat trouwens de filosofie. Het gaat er niet om, zo prevelt zij, de werkelijkheid te interpreteren, nee, het gaat er om de werkelijkheid te veranderen.
Het Marxisme is dan ook geen filosofie, maar een 'actieplan'.
Ik ben een stille, eenzelvige jongen. Ik haat 'actieplannen'.
Ik draag zwarte veterschoenen en een grijze tweedbroek en een zwart
colbertjasje.
Dan ben je anders - zeggen ze.
Een van de rebelse studenten heet, zo hoor ik later, Siep Stuurman.
Siep draagt geen zwarte veterschoenen en ook geen zwart colbertjasje.
Siep wil de wereld veranderen.
Siep heeft succes.
Siep verandert mijn wereld.
Niet in positieve, maar in negatieve zin!
Nu is Siep hoogleraar en hij schrijft deftige stukjes in de Volkskrant. Autoritaire figuren omlaag halen en vernederen is niet meer belangrijk.
Wat wil je, wanneer je jezelf en je linkse, in brons gegoten familie op een groot marmeren voetstuk hebt geplaatst?
In de Volkskrant van 29 november haalt Siep zijn oude stokpaardje ('de onmogelijkheid van een neutrale waardenvrije wetenschap') weer eens van stal.
Ik streef naar objectiviteit. Zo is mijn karakter. Zon in Steenbok, Maan
in Maagd, Ascendant in Weegschaal en de planeten Jupiter en Saturnus
op dominante posities binnen de horoscoop. Niks geen wilde Mars- en Plutotroep.
Koelheid, objectiviteit, afstandelijkheid zijn eigenschappen die bij me horen, eigenschappen die er mede de oorzaak van waren dat mijn op die eigenschappen gebouwde ideaalbeeld van de 'ouderwetse professor' in botsing kwam met het moralistische ideaalbeeld van de linkse jaren '60 generatie.
Siep was een 'moderne' linkse jongen.
Alles wat ook maar enigszins zou kunnen doen denken aan mijn fantasiebeeld van 'de ouderwetse professor' werd op een radicaal-calvinistische wijze aan stukken geslagen.
Ouderwets zijn was uit. Modern zijn was in.
Vrouw Marx lachte in haar vuistje. "Hihihi", giechelde zij, "wat ben
ik toch een slimme boze heks", en zij wierp vol sadistisch welbehagen
een levende pad in een grote zwart-berookte pot vol dampend drab.
Ja echt, de wereld zag er in mijn ogen uiterst haveloos en verveloos uit.
Soms zie je van die mooie zakelijk ingerichte kantoorruimten, waar
alles een sfeer van degelijkheid en efficiëntie uitademt.
Zo zag de wereld van de jaren 60 er niet uit.
Het Politicologisch Instituut was veranderd in een Vesting van het
Kwaad.
Toen ik weer buiten stond was het net alsof er grote slierten stof
en spinrag om mij heen dwarrelden.
Ik wankelde even en ik staarde omhoog naar de blauwe lucht.
"Haal mij hier vandaan", mompelde ik, ik geloof temminste dat ik zoiets dacht - en zeg nu zelf: als dit een deftige intellectuelenfilm was zou het erg mooi klinken..
Grote wolken dreven langs de hemel, maar God zweeg en vermoeid zakte ik ineen op de kade. Ik geloof dat ik mij moeizaam voorwaarts sleepte naar de overkant van de straat, alwaar ik mij tussen wilde op elkaar gestapelde fietsen een plaats om te rusten zocht.
Daar lag ik nu, een arme eenzame strijder in een door linkse trollen
en dwergen bezet Amsterdam.
Tussen ouwe fietsen zonder achterlicht en zonder voorlicht, want licht aandoen als het donker is was streng verboden in links studentenland!
Wie had mijn mooie, moderne lasergeweer gestolen?
Waar waren de robotten die mij de geheime opdrachten kwamen brengen
van een buitenaardse, helpende Macht?
Achter een van de ramen op de eerste verdieping staat een kleine wilde jongen. Een beetje meewarig blikt hij op mij neer.
'Zwarte veterschoenen en een zwart colbertjasje', denkt hij, 'wat een
sukkel, daar word je heus geen hoogleraar mee in Links Amsterdam!'
Het is Siep Stuurman.
Nadenken wil hij niet, de wereld veranderen wel en omdat ik voor het nadenken ben en tegen elke vorm van verandering die geen verandering is, daarom zit ik op de stoep en is hij dik bevriend met de collaborerende dwerg Lucas van der Land.
Siep beweert in zijn Volkskrantbetoog dat een 'liberaal geschiedbeeld' kan leiden tot een forse blikvernauwing.
In dat artikeltje hutselt hij een groot aantal begrippen door elkaar
om tenslotte te eindigen met een ingewikkelde duistere conclusie die
volstrekt inhoudsloos is.
De ernst van 'ouderwetse professoren' had Siep niet nodig.
Dat kun je wel merken ook.
De belangrijkste fout die Siep maakt is dat hij het verfoeide begrip liberalisme gelijkstelt aan het begrip 'pluriformiteit'.
Wanneer hij daarna concludeert dat liberalisme kan leiden tot blikvernauwing en een ideologische kleuring, die voeren naar een toestand van egoïsme waarin niemand zich verantwoordelijk voelt voor de ander, dan moet ik toch echt even glimlachen.
Juist de ontkenning van pluriformiteit, de weigering van ideologen om het recht van enkelingen een eigen boodschap uit te dragen te erkennen, leidt tot blikvernauwing en vernietiging van saamhorigheidsgevoel.
Gelukkig is het jaar 1970 verleden tijd geworden, een merkwaardige droom, waarin werkelijkheid en fictie op een rare wijze met elkaar verweven kunnen worden.
De wereld is veranderd. Ik draag geen zwarte veterschoenen meer.
Het is alsof er een Goede Fee uit de Hemel is nedergedaald. Zij tikt met
haar toverstaf op mijn computer en de woorden verschijnen als vanzelf
op het beeldscherm.
Ja, soms lijken er stralen over het scherm te schieten, en dat zijn
de flitsende lichtkogels van mijn moderne Laser-geweer.
Ik zit niet langer op de stoep. Mijn god, ik haat de stoep...
Ik wil niet meer ineenzinken op de kille stenen van een Amsterdams trottoir.
Ik voel mij een machtig strijder.
In mijn broekzak zit een kleine tactische atoombom.
Die laat ik straks neervallen op het Politicologisch Instituut van
Amsterdam. Alles wat rest zal een zwarte dampende en rokende krater
zijn.
Hoog in de lucht zweef ik, in een nauwsluitend rood-blauw Supermankostuum. O, ik zie er bijzonder aantrekkelijk en charmant uit in mijn strakke maillot.
Alle Amsterdamse homo's staren mij met geile blikken aan.
Je zou me zo kunnen verkopen aan liberalen en Amsterdamse pornobazen...
Voor veel geld natuurlijk! Dat spreekt vanzelf.
Toch ben ik een universalist. Een ernstig mens die de zinloze geweldspiraal van verblinde ideologen wil doorbreken.
Ik ben niet links en ik ben niet rechts. Altijd het Midden. Dat is mijn devies!
De linkse studenten moesten van 'het midden' niets, maar dan ook
helemaal niets hebben.
D'66 (in die tijd nog een partij die iets wilde) was in hun ogen een verderfelijk partij, omdat het een partij was zonder ideologie, een partij van technocraten die kleurloos en passieloos door het leven gingen.
D'66 noemde zichzelf 'een redelijk alternatief' en als de linkse studenten ergens een hekel aan hadden, dan was het wel aan 'redelijkheid'.
In zijn Volkskrantartikeltje waarschuwt Siep Stuurman tegen de
onredelijkheid van een enge, liberale visie, ofwel een 'pluriforme
visie'.
Je vraagt je af wat Siep verstaat onder pluriformiteit.
Pluriformiteit behelst nu juist dat verschillende visies naast elkaar
bestaan, die bevruchtend op elkaar kunnen inwerken.
Neutraliteit is niet statisch, nee, neutraliteit is een dynamische
toestand die daar ontstaat waar verschillende visies op elkaar botsen
(kunnen botsen - moeten bosten).
Zoals wit licht is opgebouwd uit een veelheid van kleuren, zo is neutraliteit opgebouwd uit een veelheid aan visies.
Neutraliteit is pluriformiteit, dat heeft radicaal links nooit willen
inzien, omdat het op een blinde, primitieve en onnadenkende wijze de
wereld wilde veranderen.
Pluriformiteit is dan ook geen liberaal principe maar een humanistisch principe, de hoeksteen van een op universalisme en menselijke
groei gericht denken.
Pluriformiteit is geen ontkenning van de 'christelijke gewetensdrang'. Integendeel: pluriformiteit stelt zich ten doel een geweten te ontwikkelen bij mensen, ook bij diegenen die zich christelijk noemen, omdat het kenmerk van het 'christelijke geweten' nu juist is
dat het helemaal geen geweten is!
Het christelijke geweten is 'de moraal' (catechismus of kerkelijke leer), dat wil zeggen, het is de ontkenning van het persoonlijke geweten.
De humanist wil de mens een persoonlijk geweten bijbrengen, en een
van de hulpmiddelen die hem bij de verwezenlijking van dat verlangen
ter beschikking staan is nu juist 'de pluriformiteit', die vreemde
zijnstoestand, die door Siep Stuurman in een kwaad daglicht wordt
geplaatst.
Pluriformiteit erkent de noodzaak van gezag en autoriteit, omdat zij
zichzelf in stand moet houden.
Liberalisme dat een vorm van verdraagzaamheid predikt die zonder enige vorm van
protest akkoord gaat met de eisen van dogmatische fundamentalisten
roept een toestand van gezagsloosheid in het leven.
Het socialisme dat de macht wil veroveren en geen rekening wenst te
houden met een realiteit die niet in een moreel kader te persen valt,
vernietigt eveneens het gezag.
Daarom zal de humanist zich distantiëren van deze ideologieën.
Wanneer hij een politieke keuze moet maken dan zal hij kiezen voor
een Middenpartij.
Het CDA is geen middenpartij. Het CDA is een confessionele partij en
binnen een confessionele partij is er geen plaats voor pluralisme (of
pluriformiteit).
Een confessionele partij is per definitie een antipluriforme
partij, omdat zij de wereld opsplitst in een partij van God en een
partij van de Duivel. Wie bijvoorbeeld 'stront' roept in een CDA-vergadering (de duivel -pervers als ie-is - schijnt verslaafd te zijn aan stront en pis) zal nooit Ministerpresident van de natie kunnen worden.
Een echte Middenpartij demoniseert niet. Zij erkent het bestaan van
'het kwaad', maar zij ziet dat kwaad als een menselijk probleem dat
op een menselijke wijze moet worden opgelost.
Iedereen is wel eens kwaad. Soms hebben mensen hele gegronde redenen
om kwaad te worden en dan is het de taak van de humanist de oorzaken
te achterhalen.
Wie de macht van het CDA wil breken die moet tegenover dat CDA een
echte Middenpartij plaatsen, een partij waarin socialisten en
liberalen naast elkaar bestaan, zonder dat de een zijn wil kan
opleggen aan de ander.
Zo'n partij is neutraal, kleurloos en juist daarom dynamisch, omdat
niet de macht maar het argument binnen zo'n partij het beleid bepaalt.
De vorming van zo'n partij is in principe al mogelijk binnen de bestaande politieke verhoudingen.
Alleen bekrompen egoïstische partijbelangetjes houden de vorming van
zo'n partij tegen. De kiezer zal er geen bezwaar tegen maken. Hij wil
alleen maar bekwame mensen in het staatsbestuur zien, mensen die te
vertrouwen zijn. Wanneer hij het gevoel heeft dat hij politici kan
vertrouwen dan zal 'de op zinloos ouwehoeren gerichte inspraak' (het stokpaardje van activistisch links) hem verder een zorg zijn.
De gewone kiezer is vaak verstandiger dan de politicus.
De gewone kiezer kijkt naar Veronica en RTL+ en juist daardoor heeft
hij het mogelijk gemaakt dat er tegenwoordig films op de beeldbuis
verschijnen die in de jaren zestig en zeventig niet vertoond konden
worden - erotische films, waarin mannen en vrouwen in alle onschuld
hun naaktheid tonen, zonder dat het exhibitionisme gepaard hoeft te gaan met vreemde buitenissige kunstenaarsfantasieën.
Want dat is het kenmerk van de moderne intellectueel: die accepteert naakt
alleen maar wanneer dat naakt wordt geplaatst in een 'raadselachtig
artistiek kader'.
Een naakte kerel moet geheimzinnige, plechtige literaire teksten
prevelen, liefst begeleid door een troep vreemd uitgedoste muzikanten die op trommels slaan en wild op een viool tekeer gaan, zodat je trommelvliezen aan flarden worden gescheurd (ik haat zulke kunst).
Zo'n naakte vent mag niet gewoon zeggen dat hij geil is, want dan
is er sprake van banale 'pornografische' uitlatingen. En zeg nu zelf:
waar blijft de 'artistieke verhevenheid' wanneer je op een schaamteloze wijze
naar pornofilms gaat zitten kijken?
Ik heb een populair-wetenschappelijk boekwerkje in mijn boekenkast
staan, getiteld: 'Männer und Piss-Sex, ein Sachbuch van COQ-International'.
'Das totale Handbuch' staat er op het omslag, naast een foto van drie
jongens die elkaar 'beplassen': Piss-Erlebnisse, Piss-Auskunfte,
Piss-Stories, Piss-Fotos, Piss-Kult...
Zakelijker en informatiever kan het niet.
Toch wordt zo'n boek niet besproken door een krant die het geven van
zakelijke informatie op een zo breed mogelijk terrein van het menselijke leven centraal stelt.
Waarom niet? Plasseks is niet wreed, niet gemeen, niet boosaardig,
integendeel, het is warm en nat en plezierig en je kunt er een hoop
lol aan beleven, juist omdat er een sfeer van volstrekte gelijkwaardigheid kan worden gecreëerd.
Het socialisme heeft nooit serieus aandacht besteed aan de sexuele
genoegens van de mens. Je mag wel schelden en schreeuwen en de ouwe adel naar het schavot dragen, maar gewoon in je broek pissen, nou ja, dat is vies hoor - dat doen wij socialisten niet. Zijn we te netjes voor!
In de landen waar het socialisme het voor het zeggen had was 'amorele
sex' (homosexualiteit, pornografie, etc.) domweg verboden.
Het communisme was nog Roomser dan de Paus. Homosexualiteit was niet
verboden, nee, homosexualiteit bestond helemaal niet in een communistisch
land!
En dan roepen een paar Oost-Berlijners dat er in hun land nu eindelijk ook eens sex-winkels moeten komen en dan roepen de 'goede heertjes van links' mopperend en hoofdschuddend dat het morele peil van het gewone volk toch maar bedroevend laag is, want wat moet er van je terechtkomen wanneer je hun zogenaamd linkse kunstbijbels niet leest?
"Mach' einen Geilrit auf der gelben Welle!", roept Victor Grell, de
auteur van het 'Pies-boek'.
"Leest de werken van Shakespeare", roept de hoofdredacteur van het
weekblad de Groene Amsterdanmmer, Martin van Amerongen.
Martin van Amerongen wil niets meer te maken hebben met Amsterdamse socialisten. Dat is tuig van de richel, volgens hem, dat heeft een platte ordinaire betonwerkersbek en dat moet opdonderen.
'Manner und Piss-Sex', denk ik.
Laat die deftig geworden Martin van Amerongen daar maar eens aandacht aan besteden in zijn deftige burgermannetjes-esaais ('esaais'? essaais ja! tis saai, weet u wel, effe nadenken dus). Want we moeten niet vergeten dat de demoniseringsdrift van de burgerman juist is gebaseerd op de onwil van de opvoeder informatie te verschaffen over vies verklaarde zaken die in feite doodgewoon en veelal volmaakt onschuldig zijn.
De onwil mee te werken aan de opbouw van een werkelijk pluriforme
samenleving houdt de macht van het conservatisme in stand.
De PvdA moest zonodig regeren. Waarom? De marges zijn klein, het geld
is op, dus wat valt er te regeren?
Sociale vernieuwing ontstaat alleen daar waar mensen bereid zijn
sociaal te denken. 'Mentaliteitsverandering' heette dat in de jaren
zestig.
Je daar op richten, dat zie ik als de taak van diegenen die voor
sociale vernieuwing pleiten.
Geld kost dat niet. 'The Best Things In Life Are Free', zo luidt de
tekst van een Amerikaans liedje.
Laten we daarom alle holle politieke frasen vergeten en ons werpen
op dat lied. Een oud en toch een nieuw lied. Een lied voor iedereen.
Op die manier herstellen we de romantiek, en dat is hard nodig, want we hebben de gratis zaken die belangrijk zijn afgeschaft, zodat we duur geld moeten neerleggen voor zaken die volmaakt onbeduidend en betekenisloos zijn.
Geen valse romantiek natuurlijk, van mensen die hun bek niet open wensen te doen, nee, de romantiek van mensen die zich niet laten overbluffen door gekken met een grote bek.
Tot nu toe hebben we alleen maar langs elkaar heen geleefd. Alleen diegenen werden geholpen die ons vertelden wat we wilden horen.
Via het toelaten van een tegengeluid echter kunnen we eindelijk op weg gaan naar een plaats waar een mens in staat is een ander te ontmoeten.
Dat zou je, wanneer je met alle geweld wilt spreken over een nieuwe samenleving, werkelijk nieuw kunnen noemen. Nieuw, omdat we eindelijk een samenleving kunnen opbouwen waarin het begrip 'plurifomiteit' werkelijk betekenis heeft.
Wim Duzijn, 1 december 1989,
Reactie n.a.v. de ingezonden brief van Siep Stuurman.
|